"Waar het ons aan ontbreekt, is aanbidding. We moeten op de knieën kunnen vallen voor elkaar."
Zo sprak Sam Dillemans in de documentaire De waanzin van het detail. Het is zo duidelijk dat het bijna nodeloos is om te zeggen, maar we horen niemand minder dan Nietzsche doorschemeren in deze woorden. De hedendaagse mens laat zich niet meer meeslepen door zijn diepten. Vandaag draait alles om oppervlakkige onverschilligheid. Zelfs overtuigd onverschillig kunnen we niet meer zijn. Het draait om afvlakking. We worden afgevlakt.
Hoe meer geliefden we afschuimen, hoe groter ons ego, en dus hoe beter. Hoe meer schilderijen in een museum, hoe liever. Ja, bevrediging! Hoe sneller we elk element in de tentoonstelling (of zelfs dat niet) hebben bekeken, hoe beter. Time is money. Wie geeft er nog om kunst wanneer er werk te doen is? Waarom zou men weggeblazen willen worden door kunst, wanneer dat de zaken alleen nog maar meer in de war stuurt?
Comfort. Alles moet comfortabel zijn. Alles wat ons uit ons evenwicht zou kunnen halen, zweren we af. Ratio, ja. Overgave, neen. Wij zijn de laatste mensen.
Ik heb het over grote gevoelens. Gevoelens die we niet meer kunnen noch willen begrijpen. De mogelijkheid om uren naar een landschap te kunnen kijken zonder je ogen af te wenden. Een gedicht zo dikwijls lezen dat je het vanbinnen en vanbuiten kent. Of, zoals meneer Dillemans het zei, op de knieën vallen voor een geliefde, of Vincent Van Gogh beschouwen als een vrouw die je nooit zal krijgen.
Sam Dillemans zei in diezelfde documentaire dat "de grootste opoffering is om nen halve te zijn." Maar zo'n groot deel van wat zich rondom ons bevindt, zijn helften. Wij kennen geen passie. Wij kennen enkel helften. Ik kan het niet treffender beschrijven dan Nietzsche in Aldus sprak Zarathoestra. "Men werkt nog, want arbeid is tijdverdrijf. Maar men past op dat het tijdverdrijf niet vermoeit. Men wordt niet meer arm en rijk: beide zijn te bezwaarlijk. Wie wil nog regeren? Wie nog gehoorzamen? Beide zijn te bezwaarlijk." We leven permanent in het midden van het spectrum. We willen zowel alles als niets, maar niet te veel van beide; het moet leefbaar blijven voor iedereen, niet?
Ik wil geen laatste mens zijn. Sorry, Nietzsche. Niets of niemand krijgt ons kapot, want we zijn immuun voor alles. Wij zijn de laatste mensen.
Posts tonen met het label Behandelde filosofen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Behandelde filosofen. Alle posts tonen
zondag 19 mei 2019
Sublimiteit, in godsnaam, wat bent u? - Kant & Lyotard
Het moet gezegd worden: niet onregelmatig heb ik me geërgerd aan kunstfilosofen. We zagen Plato, die kunst verwenst uit zijn maatschappij. We lazen Hegel die de kunst reduceert tot een middel voor zelfbewustwording. Gadamer introduceerde ons tot het zien van de kunst als een op zich staand spel: een spel dat een gehele wereld verbeeldt. Nietzsche ziet kunst slechts als schijn, als een reflectie van de werkelijkheid.
Waarom voelen filosofen de drang om de kunst, die mijns inziens het meest open moet gelaten worden als mogelijk is, in een hokje te duwen?
Als een reddende engel kwam Lyotard op mijn pad. Hij vindt het problematisch dat er een esthetica ontstaat vanuit iets (zijnde kunst) waarover misschien niet gesproken moet worden. Of ten minste, iets wat gewoonweg ongeschikt is om geabstraheerd te worden. Kunst in regels gieten, kunst wetenschappelijk benaderen.. het betekent de dood van de kunst. Bedankt, Lyotard. Eindelijk iemand die het zegt.
Een begrip dat door mijn hoofd is blijven spoken, is het sublieme. Het komt voor mij het meeste in de buurt van wat een kunstwerk in zijn diepste vorm kan betekenen. Hiermee wil ik niet bedoelen dat werken die niet onder de term 'subliem' vallen, geen kunst zijn. Ik zal het anders stellen: kunstwerken die mij het meeste zijn bijgebleven, hebben een sublieme ervaring in mij opgewekt.
Wat is dat sublieme nu juist? Volgens Kant is het datgene wat onze kenvermogens overstijgt. Een ervaring die ons herinnert aan de nietigheid van het menselijke bestaan, die ons volledig wegblaast en van onze rede geen korrel overlaat. Natuurrampen, bijvoorbeeld, kunnen ons zodanig klein krijgen dat we volledig ontregeld worden, gewoonweg omdat we het begrip van de mechanismen hierachter mankeren. Dit lijkt me een duidelijk gevoel, maar de link met kunst is nog niet heel duidelijk.
In anima minima van Lyotard is het karakter van een sublieme ervaring, zijnde het opwekken van de anima, veel destructiever en dwingender. Het negatieve taalgebruik wijst ons hier voortdurend op: we zijn als toeschouwer een slaaf van de kunst, de anima bestaat enkel onder dwang. De sublieme ervaring zoals door Lyotard beschreven is nog altijd niet helemaal bevattelijk, maar het is een waardig eerbetoon aan kunst. Kunst hoort mensen uit hun balans te rukken, al dan niet op een plezierige wijze.
Het lege gevoel na de laatste bladzijde van een sterk boek, zelfs het missen van de personages in het echte leven. Treffende noten van een muziekstuk die recht naar de keel grijpen. De herkenning van een gevoel dat je niet wilt hebben in een beeldend werk. Kunst die je niet wilt zien, maar waar je toch naar blijft kijken. Dit zijn geen natuurrampen, meneer Kant. Dit zijn kunstwerken. Ervaringen die een nietig mensenleven permanent vormgeven. En dàt is sublimiteit.
Waarom voelen filosofen de drang om de kunst, die mijns inziens het meest open moet gelaten worden als mogelijk is, in een hokje te duwen?
Als een reddende engel kwam Lyotard op mijn pad. Hij vindt het problematisch dat er een esthetica ontstaat vanuit iets (zijnde kunst) waarover misschien niet gesproken moet worden. Of ten minste, iets wat gewoonweg ongeschikt is om geabstraheerd te worden. Kunst in regels gieten, kunst wetenschappelijk benaderen.. het betekent de dood van de kunst. Bedankt, Lyotard. Eindelijk iemand die het zegt.
Een begrip dat door mijn hoofd is blijven spoken, is het sublieme. Het komt voor mij het meeste in de buurt van wat een kunstwerk in zijn diepste vorm kan betekenen. Hiermee wil ik niet bedoelen dat werken die niet onder de term 'subliem' vallen, geen kunst zijn. Ik zal het anders stellen: kunstwerken die mij het meeste zijn bijgebleven, hebben een sublieme ervaring in mij opgewekt.
Wat is dat sublieme nu juist? Volgens Kant is het datgene wat onze kenvermogens overstijgt. Een ervaring die ons herinnert aan de nietigheid van het menselijke bestaan, die ons volledig wegblaast en van onze rede geen korrel overlaat. Natuurrampen, bijvoorbeeld, kunnen ons zodanig klein krijgen dat we volledig ontregeld worden, gewoonweg omdat we het begrip van de mechanismen hierachter mankeren. Dit lijkt me een duidelijk gevoel, maar de link met kunst is nog niet heel duidelijk.
In anima minima van Lyotard is het karakter van een sublieme ervaring, zijnde het opwekken van de anima, veel destructiever en dwingender. Het negatieve taalgebruik wijst ons hier voortdurend op: we zijn als toeschouwer een slaaf van de kunst, de anima bestaat enkel onder dwang. De sublieme ervaring zoals door Lyotard beschreven is nog altijd niet helemaal bevattelijk, maar het is een waardig eerbetoon aan kunst. Kunst hoort mensen uit hun balans te rukken, al dan niet op een plezierige wijze.
Het lege gevoel na de laatste bladzijde van een sterk boek, zelfs het missen van de personages in het echte leven. Treffende noten van een muziekstuk die recht naar de keel grijpen. De herkenning van een gevoel dat je niet wilt hebben in een beeldend werk. Kunst die je niet wilt zien, maar waar je toch naar blijft kijken. Dit zijn geen natuurrampen, meneer Kant. Dit zijn kunstwerken. Ervaringen die een nietig mensenleven permanent vormgeven. En dàt is sublimiteit.
dinsdag 23 april 2019
A dead poet doesn't write - Houellebecq
"In een permanente, algehele oorlogssfeer bevindt de dichter zich in de frontlinie van alle levenden. Door zijn dagelijkse aanraking met het ondraaglijke zal hij worden blootgesteld aan de verleiding van de desertie, de euthanasie. Hij moet zich verzetten, de waardigheid verachten, bestaan tot hij erbij neervalt. Wie werkelijk wil overleven, moet eerst zien te overleven in beperkte zin. Houd moed." - Michel Houellebecq op de achterflap van LEVEN, LIJDEN, SCHRIJVEN | METHODE.
Deze post is niet bedoeld om het romantische kunstenaarsideaal geweld aan te doen, en al zeker niet om het te ontkrachten. Ik schrijf deze post om het statuut van de romantische kunstenaar te eren, want ik geef Michel Houellebecq, en alle filosofen, kunstenaars, schrijvers, muzikanten die zichzelf vinden in zijn methode voor het dichterschap (te veralgemenen tot de gehele kunstwereld), met gebogen hoofd gelijk.
Veel woorden wens ik hier niet aan vuil te maken. Ik laat liever iemand die oog in oog heeft gestaan met lijden, spreken. Iemand die perfect past in de opvatting van Houellebecq over het dichterschap... Jean-Marie Berckmans, beter bekend als JMH Berckmans. Zijn levensloop hier uiteenzetten, zou misplaatst zijn; wanneer u de tekst leest, zal u begrijpen dat zulke koude woorden niet uit iedereens pen vloeien. Een ware ervaringsdeskundige, dus.
In Antwerpen, in de buurt van de Melkmarkt, kwam ik afgelopen weekend dit ingekaderde meesterwerk tegen. Het lag in een etalage naast allemaal werken van hem. Er waren geen letters op de ramen te vinden, noch boven het glas, en ten slotte het was al later dan de conforme sluitingstijd, dus kon ik op geen enkele manier uitmaken of dit een winkel was of niet. Het leek er alleszins niet op.
Ik stel het volgende voor: lees deze tekst, probeer u de hartstocht, het cynisme, de dronkenschap en vooral, de ongesuikerde hardheid van deze man in te beelden. Krijgt u al flashbacks naar de eerste zinnen uit Houellebecq's Methode, waar er wordt beschreven dat een krijsende baby zonder enige zorg op de grond wordt gelaten, gevolgd door de affirmatie dat zijn schrijverscarrière goed begonnen is? Beeld u deze baby in en maak hem in gedachten 20 à 30 jaar ouder, zittend aan zijn krakkemikkig bureautje, dit openhartig relaas schrijvend. Erken Houellebecq.
vrijdag 29 maart 2019
De dood van de kunst - Hegel
Beweren dat de kunst ten einde is, vanuit de overtuiging dat de Geest zichzelf begrijpt, betekent ervan uitgaan dat de kunst een middel is, eerder dan een doel van de kunstenaar, een innerlijke impuls van emotie die geuit moet worden.
Ik vraag me af of Hegel ooit een dwingend gevoel van creativiteit in zich heeft gehad. Een kunstenaar schept niet om zichzelf te begrijpen. Hij schept omdat hij geen andere keuze heeft, omdat hij gedwongen wordt door een golf van innerlijke onrust die er onverbiddelijk uit moet.
Als de kunstenaar zou scheppen om zelfbewust te worden, zou mijns inziens het concept van een kunstwerk al genoeg moeten zijn om tot begrip te komen.
Laten we als voorbeeld een jongeman nemen die de obscure drang voelt om een vriend pijn te doen. Hij voelt de impuls zijn vriend volledig bebloed afbeelden, hem te beeldhouwen zonder hoofd etc. Als we Hegel zijn theorie doortrekken, dan zijn deze werken enkel en alleen bedoeld om te begrijpen dat de jongeman duistere gedachten heeft naar aanzien van zijn vriend. Gevoelens als jaloezie, haat, verwensing zelfs, zijn hier van toepassing.
Ik ben ervan overtuigd dat de jongen gemakkelijk zelf, zonder de sinistere kunstwerken, tot deze conclusie had kunnen komen. De onweerstaanbare drang om een naaste te reduceren tot een geschilderde, gewonde figuur, toont mijns inziens al aan dat de jongeman geen gezonde (“normale”) relatie heeft met zijn vriend. Het feit dat hij deze werken maakt, dient een veel hoger doel dan te begrijpen wat hij voelt: het feit dat hij zijn emoties nu kwijt kan in zijn werken, kan zijn frustraties doen dalen, het kan er misschien zelfs voor zorgen dat er geen misdaden gepleegd worden door opgestapelde negativiteit.
Kunst is het product van de veruitwendiging van een dwang, een impuls, een noodzaak. Een eis waaraan door de kunstenaar voldaan moet worden. De kunst reduceren tot een middel, vind ik een inbreuk op het eigenlijke statuut van de mens én op dat van de kunst. In tegenstelling tot Hegels opvatting, namelijk dat de kunst ten einde is omdat we alles over de geest reeds weten, is deze reductie in mijn ogen de ware dood van de kunst.
Ik vraag me af of Hegel ooit een dwingend gevoel van creativiteit in zich heeft gehad. Een kunstenaar schept niet om zichzelf te begrijpen. Hij schept omdat hij geen andere keuze heeft, omdat hij gedwongen wordt door een golf van innerlijke onrust die er onverbiddelijk uit moet.
Als de kunstenaar zou scheppen om zelfbewust te worden, zou mijns inziens het concept van een kunstwerk al genoeg moeten zijn om tot begrip te komen.
Laten we als voorbeeld een jongeman nemen die de obscure drang voelt om een vriend pijn te doen. Hij voelt de impuls zijn vriend volledig bebloed afbeelden, hem te beeldhouwen zonder hoofd etc. Als we Hegel zijn theorie doortrekken, dan zijn deze werken enkel en alleen bedoeld om te begrijpen dat de jongeman duistere gedachten heeft naar aanzien van zijn vriend. Gevoelens als jaloezie, haat, verwensing zelfs, zijn hier van toepassing.
Ik ben ervan overtuigd dat de jongen gemakkelijk zelf, zonder de sinistere kunstwerken, tot deze conclusie had kunnen komen. De onweerstaanbare drang om een naaste te reduceren tot een geschilderde, gewonde figuur, toont mijns inziens al aan dat de jongeman geen gezonde (“normale”) relatie heeft met zijn vriend. Het feit dat hij deze werken maakt, dient een veel hoger doel dan te begrijpen wat hij voelt: het feit dat hij zijn emoties nu kwijt kan in zijn werken, kan zijn frustraties doen dalen, het kan er misschien zelfs voor zorgen dat er geen misdaden gepleegd worden door opgestapelde negativiteit.
Kunst is het product van de veruitwendiging van een dwang, een impuls, een noodzaak. Een eis waaraan door de kunstenaar voldaan moet worden. De kunst reduceren tot een middel, vind ik een inbreuk op het eigenlijke statuut van de mens én op dat van de kunst. In tegenstelling tot Hegels opvatting, namelijk dat de kunst ten einde is omdat we alles over de geest reeds weten, is deze reductie in mijn ogen de ware dood van de kunst.
zondag 13 januari 2019
Permanent plagiaat - Plato
Finnian & ColumbaFotografe Katrijn Van Giel, die Jean-Marie Dedecker na de verkiezingen in 2010 fotografeerde, won het proces tegen kunstenaar Luc Tuymans. Hij heeft deze foto op het eerste zicht met weinig persoonlijke toevoeging overgeschilderd.
Katrijn Van Giel legt een klacht neer, luidend dat Tuymans' versie een geplagieerde versie is van haar foto. Adrian Searle, kunstcriticus voor The Guardian, probeert deze stelling nochtans met hand en tand te weerleggen. Hij verdedigt Tuymans, die zegt dat dit schilderij een parodie hoorde te zijn van de gefotografeerde Dedecker. Dit is uiteraard een makkelijk argument en voor mij persoonlijk ongeldig.
Volgens de wet is een parodie een uitzondering op het Belgische auteursrecht, maar ik zie persoonlijk weinig (tot geen) parodiërende toevoegingen. Ik twijfel of we het door de toevoeging van het label 'karikatuur' geen plagiaat zouden moeten noemen.
Tuymans heeft het werk van Van Giel overgenomen zonder haar hiervoor te vergoeden en heeft haar werk dus geplagieerd. Ik ben er het daar ruimschoots mee eens. Iemand anders' werk of idee overnemen zonder de originele (Plato draait zich om in zijn graf, alle kunst is slechts een kopie) kunstenaar te vermelden/vergoeden, dat is per definitie plagiaat.
Wat zou Plato hierop te zeggen hebben? Het schilderij van Tuymans zou volgens Plato immers een kopie van een kopie (de foto) van een kopie (Dedecker zelf) zijn. Dat is dus driemaal een kopie van het oorspronkelijke idee. Door telkens opnieuw subjectieve indrukken neer te zetten van een idee, zoals Van Giel en Tuymans gedaan hebben, distantieert de kunstenaar zich van het ideale.
De werkelijkheid is volgens Plato een kopie van het idee, geschapen door een god. Is plagiaat niet net hetzelfde? Plato vindt de werkelijkheid één groot plagiaatfeest: alle bestaande zaken zijn echter niet meer dan een afspiegeling, een kopie, een geplagieerd idee.
Nu, Plato wilde een samenleving zonder kunst. Volgens mij kon hij zich zeker opwinden over het fenomeen plagiaat, weliswaar buiten deze context: ik denk dat Plato weinig interesse zou tonen voor discussies omtrent of een kunstwerk nu al dan niet plagiaat is. Voor hem is het antwoord toch altijd ja. Elk verschijnsel in de wereld is volgens hem slechts een afspiegeling van een bestaand idee. De werkelijkheid bestaat permanent uit plagiaat.
Abonneren op:
Posts (Atom)
